In de eerste jaren na de Sovjet-revolutie was er sprake van een relatieve vrijheid voor de cultuur. Kunstenaars konden zich vrij verenigen en voorstellen doen om het programma van het communisme vorm te geven. Dat hield meer in dan esthetische vernieuwing. Het hield in dat de activiteit van de kunstenaar zich kon verbinden met de vorm van de omwentelingen, met het bestuur, de raden (sovjet betekent immers raad; de Sovjet-Unie was een raden-republiek – een progressief concept dat de Partij na 1917/1918 in enkele fasen zelf de nek omdraaide) – de kunst kon zich verbinden met de industrie, het bouwen, met de inrichting en vorm van het sociale leven. Proletkult was in deze jaren de grootste culturele organisatie en strekte zich uit over alle contreien van de nieuwe staat. Miljoenen burgers werden lid om deel te nemen aan de cultuur waar zij tot de revolutie van uitgesloten waren geweest. Proletkult verschafte hen toegang tot Dostojevskij, Poesjkin en Tolstoj. De organisatie stond onder bestuur van Alexandr Bogdanov. Bogdanov weigerde Proletkult echter ondergeschikt te maken aan de Partij (en dus ook aan Lenin).

Na de consolidatie van de Partij keerde Lenin zich daarom tegen Proletkult, startte de Partij campagnes met verdachtmakingen, werd de geldkraan dichtgedraaid en stierf de organisatie een langzame dood. (Aan de negatieve campagnes tegen Proletkult deden ook westerse fellow-travellers mee als Nico Rost. Mij verbaast altijd hoe deze fellow-travellers bereid waren met de Russische partijlijn mee te lopen.) Binnen Proletkult had de Agit-Prop de meest pregnante pro-communistische propagandamachine gevormd: de Agit-Prop werd uitgevoerd door groepen die met gebalde vuisten en vlaggen hun kreten en wervende strofes brachten; het waren heraldische tableaus van levende mensen. Hun kreten waren niet alleen gericht op bijvoorbeeld de toe-eigening van productiemiddelen door de arbeiders (in werkelijkheid door de Partij), maar ook op de overwinning op de Polen.

De eerste jaren van de Sovjet-Unie vormden de avant-gardes met Proletkult nog een werkelijke lente. Terwijl in het land alle economische activiteiten en alle onroerende goederen door de Partij en de staat werden ingelijfd, beschilderden kunstenaars huizen en schuttingen met suprematistische figuren. Toen zij met treinen van Moskou naar Vitebsk trokken, waar de academie van kunsten hun nieuwe centrum was geworden, beschilderden zij ook de wagons met figuren. Aan deze korte lente is dit schilderij gewijd.

De figuren die door de kunstenaars op de treinen werden geschilderd zijn hier, in mijn schilderij, zelf levende reizigers geworden en piepen tussen de open geschoven deuren door naar buiten om de stations te bevolken en de steden in te trekken. Het schilderij is met silicaatverf op mortel geschilderd, omdat die techniek de traditionele fresco benadert.

  • jaar 1998
  • techniek silicaatverf op mortel op paneel
  • maat 205 x 170 cm
  • verzameling Centraal Museum Utrecht