Archie Shepp was jarenlang mijn favoriet. In het schilderij is hij de rechter figuur. Tentoonstellingsmakers en schrijvers over Afrofuturisme hebben Sun Ra als favoriet, niet Shepp. Inderdaad was Sun Ra kleurrijk en predikte hij een kritisch escapisme en etnisch bewustzijn, maar Shepp levert een grotere muzikale dichtheid.
Vanaf de eerste dag dat ik van Shepp een plaat had gehoord struinden wij, ik en enkele vrienden, regelmatig de bakken af met tweedehands elpees op zoek naar meer. Het ging ons om Shepps vroege werk.

Je zult je afvragen uit welke groep musici hij nou favoriet was – zuivere Free Jazz is het niet. Alleen op de eerste opnames uit 1962 / 1964 heeft Shepps muziek de structuur van Free Jazz, toen hij nog speelde met Bill Dixon. Zij klinken in de opnames uit die jaren baldadiger dan Ornette Coleman, maar Shepp bespeelt zijn saxofoon ook gruizig, alsof hij heeft gesnoept van de jaren 1950 (Coleman Hawkins en Lester Young).

Het zwarte activisme had Shepps muziek bepaald. Dat activisme leek toen niet meer zo populair. Ik heb in 1989 in Zwitserland nog wel de pocket Soul on Ice gekocht van Panther Eldridge Cleaver, maar het prompte van de Black Panthers lag al ver weg.

De romantiek van een pan-Afrikaanse cultuur, het voorop stellen van alle zwarte muziekstijlen, de referenties aan de opstand in Attica Prison (1972) en Malcolm X, het zoeken naar ritmes als de Slow Drag, het had allemaal met dat activisme te maken.
De slow drag bijvoorbeeld is een ritme dat niks te maken heeft met de swing die veel jazz vervelend maakt. Het verlegt de klemtoon naar een lome beat die tegelijkertijd zwaar kan zijn, vergelijkbaar met de beat in het lied Gloomy Sunday van Billie Holliday. In Gloomy Sunday wordt de beat neergelegd door de bas. Bij Shepp ligt daar nog een flinke dreun overheen van de pianist – iets dat niet alleen is beïnvloed door slow drags als die van Gloomy Sunday, maar ook door enkele nummers van (ja toch) Sun Ra.

(Overigens – ik gooi de hele alinea maar tussen haakjes – blijkt Gloomy Sunday geënt op een Europees nummer Szomorú vasárnap (wat gloomy sunday betekent) van Seress Rezsö – een Hongaar; ook hij plaatste in zijn nummer de puls met de piano (let op de vierde maat!). (Alles is ingewikkelder dan je denkt. Soms lijkt de zwarte populaire muziek geënt op de populaire witte muziek, terwijl de grote blank-Europese populaire muziek vanaf 1963 geënt is op zwarte muziek (en dat was die in Amerika al eerder)).)

Dat ritme is belangrijk. Vergelijk het even met Song for my Father van Horace Silver uit 1965. Als je eerst Shepp hebt gehoord overvalt de muziek van Silver je als al te tamme gezelligheid, maar afgezien daarvan kun je zeggen dat de piano (van Silver zelf) vergelijkbare pulsen geeft. Toch wordt het ritme bij Silver niet door die piano voortgedraven; het wordt gedreven door de drum en de bas. Daarbij treedt de piano haast op als begeleiding; de piano zet accenten naast het ritme dat door de drum en bas wordt aangegeven, als toevallige madeliefjes in een grasveld; het nummer drijft op een soort swing. Om het accent te verplaatsen naar de puls van de piano, moet je beginnen de drums en bas uit Silvers nummer weg te slopen.

In de Free Jazz hadden drum, piano en bas zich al eerder geëmancipeerd en had elk instrument een gelijkwaardige positie verworven: elk was deel van een voortstuwende kracht. Dat gold voor de muziek van John Coltrane ook: vanuit de drums van Elvin Jones (die in het John Coltrane Quartet speelde van 1960 tot 1966) kun je zo de overstap maken naar Shepps Slow Drag. In Song for my Father van Horace Silver daarentegen moet de emancipatie van de instrumenten nog beginnen.

Shepps Slow Drag illustreert de omhelzing van zwarte muziek die zich heeft losgemaakt van swing. Het is een creatieve weg die leidt naar geweldige muziek.

Als je niet vanuit de muziek vertrekt, maar omgekeerd vanuit het zwarte activisme en op zoek gaat naar bijpassende muziek, beland je bij het Afrofuturisme van Sun Ra. Maar laten we eerlijk zijn: saxofonist Marshall Allen, die decennia lang bij Sun Ra speelde, lijkt deze dagen op hoogbejaarde leeftijd alleen maar beter en geconcentreerder te spelen dan ooit tevoren, nu Sun Ra is overleden. Marshall Allen is natuurlijk ook fantastisch.

Het lastige is dat het bij Sun Ra en zijn Arkestra gaat om een oeuvre met pak ‘m beet 170 elpees, die elk gemiddeld voor zo’n vijf minuten een volledig inspirerende uitwerking op je hebben en je de overige 30 minuten soms in vertwijfeling achter laten. Voor mensen die het zoeken in de uithoeken van de cultuur is het vaak stug doorbijten. (De muziek die Phill Niblock uit Ra’s oeuvre koos voor zijn film The Magic Sun (1966) is wel weer echt overtuigend.)

Toen ik 20 was, rond 1980, was Sun Ra in de jazz geen centraal verschijnsel. In de platenbakken van de winkels stonden van Sun Ra and his Arkestra toen alleen Heliocentric Worlds I en II. Er was geen sprake van een Afrofuturisme-revival.

Het begrip Afrofuturisme is verwarrend. De bizarre rol van het ruimtevaartuig in Sun Ra’s iconografie gaat over de herkomst – ik benadruk: herkomst; over roots; over het feit dat een herkomst vanuit een verscheping in gevangenschap en slavernij onaanvaardbaar is. Het is niet voor niets dat het ruimtevoertuig in de film over Ra, Space is the Place (1974), vanuit de ruimte tot ons komt en voor onze voeten landt in het heden. De titel van een vroege elpee uit 1958 is hier al meteen duidelijk in: Sun Ra and his Solar Arkestra Visits Planet Earth. Ra is mythologiserend: hij noemt de slavernij niet expliciet. Shepp wel: een deel van zijn oeuvre gaat rechtstreeks over de exploitatie van het lichaam door slavenhouders. Shepps referenties brengen je nog altijd niet het zachte gruwen van Strange Fruit van Billie Holliday. Maar desondanks, in Things Have Got to Change bijvoorbeeld (1971), zingt een koor op kant 1 almaar “I’ve worked all day and got no pay (…).” En op het album Attica Blues (1972), dat ingaat op de opstand in Attica Prison, wordt de exploitatie van de zwarte mens ook expliciet genoemd.

Shepp heeft zwakke momenten; ook de uitgevers van Shepps muziek hebben vaak met te grote gretigheid nieuw werk van hem uitgebracht. Maar door zijn oeuvre kruipt heel wat wat je nooit eerder had gehoord; de vijf gezegende minuten die Ra je gunt duren bij Shepp al snel een minuut of 20/30. Bijvoorbeeld Things Have Got to Change is een steengoeie plaat. Ik noem deze plaat ook omdat ie op sites onterecht besproken als matig en op Shepps site zelfs wordt vergeten, terwijl het een plaat is van een heel eigen soort – ik zag hem laatst nog in de bakken staan, tweedehands, in z’n dik-kartonnen hoes, en had hem bijna gekocht als tweede exemplaar naast degene die ik al heb. Speel hem af op een ouderwetse platenspeler! – Zo een waarvan de naald niet automatisch omhoog gaat maar in de laatste groef door blijft draaien – dan wordt de klank almaar herhaald (een bizar ouderwets-moderne elektronische klank, gemaakt door van Romulus Franceschini). Met deze plaat verhef je je van de aarde, ver de ruimte in. Halverwege de trip kijk je even naar beneden en wordt je nog een uitzicht geboden op Ra’s ruimteschip dat, eenmaal geland, maar niet op wil stijgen. Maar je verliest Ra uit het oog, want de klanken van Things Have Got to Change blijken je steeds hoger te voeren, tot almaar verder gelegen zones.

Toen Shepp rond 1976 het activisme verliet, verliet hij met zijn muziek ook iets van het gevoel van noodzakelijkheid. De kritiek dat hij na die tijd een all-round jazzblazer werd is niet helemaal onterecht. Maar je vereert je helden nooit om hun zwakke momenten, altijd om hun kracht.

James Mtume heb ik in het schilderij opgenomen om zijn werk met het Umoja ensemble. Daarover een andere keer.

Jan 2019

  • jaar 2018 / 2019
  • techniek olieverf op doek
  • afmeting 256 x 128