Archie Shepp was jarenlang mijn favoriet. In het schilderij is hij de rechter figuur. Tentoonstellingsmakers en schrijvers over Afrofuturisme hebben Sun Ra als favoriet, niet Shepp. Inderdaad was Sun Ra kleurrijk en predikte hij een kritisch escapisme en etnisch bewustzijn, maar Shepp levert een grotere muzikale dichtheid.
Vanaf de eerste dag dat ik van Shepp een elpee had gehoord, ergens in 1979, struinden wij – ik en enkele vrienden – de bakken af met tweedehands elpees om meer. Het ging ons om Shepps vroege werk.
Je zult je afvragen uit welke groep musici hij nou favoriet was – zuivere Free Jazz is het niet. Alleen op de eerste opnames uit 1962 / 1964 heeft Shepps muziek de structuur van Free Jazz, toen hij speelde met Bill Dixon. Zij klinken in de opnames uit die jaren baldadiger dan Ornette Coleman, maar Shepps saxofoon klinkt ook gruizig, als in muziek uit de jaren 1950 (als Coleman Hawkins en Lester Young).

Je vindt bij Shepp de romantiek van een pan-Afrikaanse cultuur, hij stelde alle zwarte muziekstijlen voorop, refereerde aan de opstand in Attica Prison (1972), zocht naar ritmes als de Slow Drag, allemaal in het verlengde van zwart activisme. Dat activisme leek in 1979 niet meer zo populair; ik had in Zwitserland nog wel de pocket Soul on Ice gekocht van Panther Elridge Cleaver (het kwam op mijn boekenlijst voor Engels).
Dat ritme van Shepps Slow Drag heeft niks te maken met de swing die veel jazz vervelend maakt. Het verlegde de klemtoon naar een lome beat die tegelijkertijd zwaar kan zijn, vergelijkbaar met de beat in het lied Gloomy Sunday van Billie Holliday. Bij Shepp wordt het wel nog een stuk zwaarder door een dreun die de pianist er nog eens overheen legt – iets dat niet alleen is beïnvloed door slow drags als die van Gloomy Sunday, maar ook door enkele nummers van (ja toch) Sun Ra.
(Overigens – ik gooi de hele alinea maar tussen haakjes – Gloomy Sunday is geënt op een Europees nummer Szomorú vasárnap (wat gloomy sunday betekent) van Seress Rezsö – een Hongaar; ook hij plaatste in zijn nummer de puls met de piano (let op de vierde maat). (Alles is ingewikkelder dan je denkt. Soms blijkt zwarte populaire muziek geënt op witte populaire muziek, terwijl de blank-Europese populaire muziek vanaf 1963 geënt is op zwarte muziek). (Shepps Slow Drag is overigens geschreven door Grachan Moncur III.))
Dat ritme is belangrijk. Vergelijk het even met Song for my Father van Horace Silver uit 1965. Dat is tam en gezellig, maar afgezien daarvan kun je zeggen dat de piano (van Silver zelf) vergelijkbare pulsen geeft. Toch wordt het ritme bij Silver niet door die piano voortgedreven maar door een gezellige drum en bas – een soort swing. De piano lijkt er meer een soort begeleiding; de piano zet accenten naast het ritme dat door drum en bas wordt aangegeven. Om het accent te verplaatsen naar de puls van de piano, moet je beginnen de drums en bas uit Silvers nummer los te slopen en, voor je ze weer terugplaatst, er met de pook flink op los porren.
In de Free Jazz hadden drum, piano en bas zich geëmancipeerd en had elk instrument een gelijkwaardige positie verworven: elk was deel van een voortstuwende kracht. Dat gold ook voor de late muziek van John Coltrane. Vanuit die Coltrane kun je zo de overstap maken naar Shepps Slow Drag. Shepps Slow Drag illustreert de omhelzing van zwarte muziek die zich heeft losgemaakt van swing. Het is een creatieve weg die leidt naar geweldige muziek.

Als je niet vanuit de muziek vertrekt, maar vanuit het zwarte activisme, en dan op zoek gaat naar bijpassende muziek, beland je bij het Afrofuturisme van Sun Ra. Maar laten we eerlijk zijn: het gaat bij Sun Ra en zijn Arkestra om een oeuvre met pak ‘m beet 170 elpees, die elk gemiddeld voor zo’n vijf minuten een volledig inspirerende uitwerking hebben en je voor het overige soms vertwijfeld achterlaten. (De hoogbejaarde saxofonist Marshall Allen, die decennia lang bij Sun Ra speelde, lijkt deze dagen alleen maar beter en geconcentreerder te spelen dan ooit tevoren, nu Sun Ra is overleden. Vooruit: de muziek die Phill Niblock van Ra koos voor zijn film The Magic Sun (1966) is weer wel echt overtuigend.)
Toen ik 20 was, rond 1980, was Sun Ra in de jazz geen centraal verschijnsel. In de platenbakken van de winkels stonden van Sun Ra and his Arkestra toen alleen Heliocentric Worlds I en II. Er was geen sprake van een Afrofuturisme-revival.
Het begrip Afrofuturisme is verwarrend. De bizarre rol van het ruimtevaartuig in Sun Ra’s iconografie gaat over de herkomst – herkomst; het gaat over roots; over het feit dat je herkomst vanuit een verscheping in gevangenschap en slavernij onaanvaardbaar is. Het is niet voor niets dat het ruimtevoertuig in de film over Ra, Space is the Place (1974), vanuit de ruimte tot ons komt en voor onze voeten landt in het heden. De titel van een vroege elpee uit 1958 is hier al meteen duidelijk in: Sun Ra and his Solar Arkestra Visits Planet Earth. Ra is mythologiserend: hij noemt de slavernij niet expliciet. Shepp wel: een deel van zijn oeuvre gaat rechtstreeks over de exploitatie van het lichaam door slavenhouders. Shepps referenties brengen je nog altijd niet het zachte gruwen van Strange Fruit van Billie Holliday. Maar desondanks, in Things Have Got to Change bijvoorbeeld (1971), zingt een koor op kant 1 almaar “I’ve worked all day and got no pay (…).” En op het album Attica Blues (1972), dat ingaat op de opstand in Attica Prison, wordt de exploitatie van de zwarte mens expliciet genoemd.
Hoewel Shepp zwakke momenten kent en uitgevers zijn nieuwe werk vaak met te grote gretigheid hebben uitgebracht, kruipt er door zijn oeuvre heel wat dat je nooit eerder had gehoord; de vijf gezegende minuten die Ra je gunt duren bij Shepp een minuut of 20/30. Bijvoorbeeld Things Have Got to Change is een steengoeie plaat. Ik noem deze ook omdat ie op sites onterecht wordt besproken als matig. Op Shepps site wordt ie zelfs vergeten, terwijl het een plaat is van een heel eigen soort – ik zag hem laatst nog in de bakken staan, tweedehands, dik-kartonnen hoes, en had hem bijna gekocht terwijl ik er al één heb. Speel hem af op een ouderwetse platenspeler! – Zo een waarvan de naald niet automatisch omhoog gaat. In de laatste groef wordt de laatste klank namelijk almaar herhaald (bizar ouderwets-moderne elektronica-geluid van Romulus Franceschini). Je verheft je met deze plaat ver de ruimte in. Halverwege de trip kijk je even naar beneden, naar Ra’s ruimteschip dat, eenmaal geland, niet meer op wil stijgen. Dan verlies je Ra uit het oog, want de klanken van Things Have Got to Change blijven je omhoog voeren, naar steeds verder gelegen zones.

James Mtume heb ik in het schilderij opgenomen om zijn werk met het Umoja ensemble. Daarover een volgende keer.

Jan 2019

  • jaar 2018 / 2019
  • techniek olieverf op doek
  • afmeting 256 x 128